Wahsaaaah — wat een pizzabezorger mij leerde over je innerlijk kind
- Debby Koster
- 11 mei
- 3 minuten om te lezen
Gisteren was het moederdag. Een dag waarop we stilstaan bij zorg, liefde en verbinding. Maar ook een dag waarop ik me afvroeg: wanneer zijn we eigenlijk opgehouden met spelen?
Want moeders — en vaders, en mensen in het algemeen — worden op een gegeven moment serieus. Verantwoordelijk. Volwassen. En ergens in dat proces verdwijnt er iets.

Hij liep op me af met een grote tas vol pizza's. Druk, waarschijnlijk zijn tiende bezorging van de avond. En toen — vlak voor de automatische schuifdeur — strekte hij langzaam zijn hand uit, keek er met volle concentratie naar, en zei: "Wahsaaaah."
De deur ging open.
Hij liep door zonder om te kijken. Geen publiek nodig. Geen goedkeuring. Gewoon even, voor zichzelf, een deur openen met magische krachten.
Ik moest lachen. En daarna moest ik nadenken.
We praten veel over het innerlijk kind helen
Wonden uit het verleden. Patronen doorbreken. Dat stukje van jezelf dat ergens onderweg kleiner is geworden, zich is gaan verstoppen, is opgehouden met dromen.
Dat werk is belangrijk. Echt.
Maar er is iets wat we minder vaak zeggen:
Je kunt een kind niet helen als je het nooit laat spelen.
Veel mensen zijn zo gefocust op wat er mis is gegaan met hun innerlijk kind, dat ze vergeten dat datzelfde kind ook gewoon wil ravotten. Gekke geluiden maken. Een deur openen met magische krachten. Dansen in de keuken als er niemand kijkt.
Dat is geen regressie. Dat is contact.
Het verschil tussen helen en spelen
Helen gaat over het verleden. Wat er pijn deed, wat er niet mocht, wat er te vroeg moest stoppen.
Spelen gaat over nu. Aanwezig zijn zonder doel. Iets doen omdat het leuk is, niet omdat het nuttig is of omdat het je ergens brengt.
Als je alleen maar heelt en nooit speelt, blijft het innerlijk kind een project. Iets om aan te werken. Een patiënt.
Maar een kind wil geen patiënt zijn. Het wil buiten spelen.
Volwassenen nemen het leven veel te serieus
En dat is misschien wel het grootste verlies.
Want een kind dat speelt, heeft geen last van perspectief. Een probleem dat groot voelt voor een volwassene — een conflict op het werk, een rekening die niet klopt, een gesprek dat je maar niet voert — een kind van zeven zou er omheen lopen, er bovenop klimmen, of er gewoon mee gooien. Niet omdat het naïef is. Maar omdat het nog weet dat het groter is dan het probleem.
Ergens onderweg zijn we dat kwijtgeraakt. We werden serieus. Verantwoordelijk. We leerden dat problemen aandacht verdienen, dat zorgen maken nuttig is, dat spelen iets is voor als het werk af is.
Maar het werk is nooit af.
En intussen wordt alles zwaarder dan het hoeft te zijn.
Spelen is geen vlucht voor de problemen. Het is een manier om ze op juiste grootte te zien. Even groter zijn dan je zorgen. Even de pizzabezorger zijn die een deur opent met magische krachten — en daarna gewoon verder loopt.
Hoe dat er in de praktijk uitziet
Het hoeft niet groot te zijn. De pizzabezorger deed het in drie seconden, tussen twee bezorgingen in.
Het kan zijn dat je met je vinger een naam schrijft in het beslagen raam. Dat je een steen overslaat over het water. Dat je een liedje zingt in de auto waar je je voor zou schamen als iemand meeluisterde.
Het punt is niet wát je doet. Het punt is dat je het doet zonder het te rechtvaardigen.
En als spelen moeilijk is?
Dan is dát het signaal. Niet dat je het innerlijk kind harder moet helen — maar dat het zo lang niet heeft mogen spelen dat het vergeten is hoe. Dat het zelfs bij de gedachte aan spelen iets voelt wat op schaamte lijkt. Of op gevaar.
Dat is een ander gesprek. Een waardevol één — maar een ander.
Want eerst dit: ga spelen. Doe iets zonder doel. Zonder dat het ergens goed voor is. Zonder dat het je verder brengt.
Wees even de pizzabezorger.
De deur gaat vanzelf open.



Opmerkingen